PDF Operator Manual Case Alpha Series Skid Steer & Track Loaders (Dutch) - 5 MB

This operator's manual (GEBRUIKERSHANDLEIDING) is for a wide range of Case Alpha Series Tier 3 compact track loaders and skid steers, written in Dutch.

It covers models including the SR130, SV185, and TR270.

The guide provides essential information on safe operation, controls, and regular maintenance for Dutch-speaking operators.

It is the primary resource for ensuring your equipment is used correctly and efficiently.

PDF Viewer
Viewer loads when you scroll here
SHARE THIS MANUAL
Download the PDF Manual
WAWhatsApp fFacebook 𝕏X TGTelegram ✉Email
PDF viewer loading area

Text Preview from This Manual

The text below was extracted from the visible preview pages to help you confirm the manual contents before download.

--- Page 1 ---
OORSPRONKELIJKE INSTRUCTIES - conform richtlijn 2006/42/EG, Annex I, 1,7.4,1


                                     SR130 SR200
                                     SR150 SR220
                                     SR175 SR250
                                     SV185 SV250
                                               SV300
                                               Tier 3
                             Schranklader, serie Alpha
                                       SR130 PIN NBM424838 en hoger
                                       SR150 PIN NBM426353 en hoger
                                       SR175 PIN NBM427853 en hoger
                                       SV185 PIN NBM429043 en hoger
                                       SR200 PIN NBM429843 en hoger
                                       SR220 PIN NBM431423 en hoger
                                       SR250 PIN NBM433948 en hoger
                                       SV250 PIN NBM435143 en hoger
                                       SV300 PIN NBM436928 en hoger


                                       TR270
                                       TR320
                                      TV380
                                       Tier 3
               Compacte rupslader, serie Alpha
                                       TR270 PIN NBM438663 en hoger
                                       TR320 PIN NBM439948 en hoger
                                       TV380 PIN NBM440878 en hoger


        GEBRUIKERSHANDLEIDING

                                        Onderdeelnummer 47571777
                                                            5e editie Nederlands
                                                                        juli 2013
                                            Vervangt onderdeelnummer 84601110

--- Page 3 ---
1 - ALGEMENE INFORMATIE


Rechter-, linker-, voor- en achterkant van machine


                                               RAPH12SSL0057BA   1
De termen vóór (1), rechts (2), achter (3) en links (4) worden in deze handleiding gebruikt om de richting,
                             gezien vanaf de bestuurdersstoel, aan te geven.


                                                      1-5

--- Page 4 ---
2 - VEILIGHEIDSINFORMATIE


van onderhoudsgegevens; een claim kan echter worden afgewezen indien een gebrekkig onderhoud heeft geleid tot
het detectraken van een onderdeel waarvoor een garantiedekking geldt.

Het is raadzaam om als vervangingsonderdelen die worden gebruikt voor onderhoud of reparaties, uitsluitend CASE
CONSTRUCTION-serviceonderdelen te gebruiken, om ervoor te zorgen dat de oorspronkelijk bedoelde kwaliteit van
uw emissiegecertificeerde motor gehandhaafd blijft. Het gebruik van niet- CASE CONSTRUCTION-onderdelen leidt
niet ertoe dat de garantie op andere onderdelen vervalt, tenzij het gebruik van dergelijke onderdelen leidt tot schade
aan onderdelen waarvoor een garantiedekking geldt.

De fabrikant is aansprakelijk voor schade aan andere motorcomponenten veroorzaakt door een defect van enig on-
derdeel van het emissieregelsysteem waarvoor een garantiedekking geldt. CASE CONSTRUCTION is niet verant-
woordelijk voor defecten die voortkomen uit een onjuiste reparatie of het gebruik van onderdelen anders dan originele
CASE CONSTRUCTION-onderdelen of door CASE CONSTRUCTION goedgekeurde onderdelen.

Dekking van componenten
Voor nieuwe motoren die zijn gecertificeerd voor verkoop en zijn geregistreerd, geldt dat de volgende items worden
gedekt door de emissiegarantie, afhankelijk van het emissieniveau van de motor, indien de items als oorspronkelijke
uitrusting op de nieuwe motor aanwezig waren:

Brandstofinspuitsysteem                                     Uitrusting voor uitlaatgasnabehandeling (indien van
                                                            toepassing)
• Brandstofinspuitpomp
• Brandstofverstuivers                                      • Katalysator (DOC)

• Brandstofinspuitleidingen                                 • Roetfilter (DPF)
                                                            • Selectieve katalytische reductie (SCR)
Luchtinlaatsysteem
                                                            • Tank voor dieseluitlaatvloeistof (DEF: Diesel Exhaust
• Inlaatspruitstuk                                            Fluid) en doseersystemen
• Turbocompressorsysteem (inclusief uitlaatspruitstuk)
                                                            Uitlaatgasrecirculatiesystemen (EGR)
• Laadluchtkoeler
                                                            • EGR-klepeenheid
Carterventilatiesysteem (indien van toepassing)             • EGR-koeler
• PCV-klep
                                                            Koudestartverrijkingssystemen
• Olievuldop
                                                            Elektronische regeleenheden, sensoren, solenoïdes en
                                                            kabelbomen van de bovengenoemde systemen

De emissiesgarantie dekt het volgende niet:
• Reparaties die voortkomen uit achteruitgang door stalling, het niet uitvoeren van onderhoud aan het materieel,
  nalatigheid, aanpassing, onjuist gebruik van het materieel, botsing of een ander ongeval, vandalisme of een andere
  bewuste handeling, of gebruik die het nominale vermogen teboven gaat of de specificatie te buiten gaat.
• Reparatie die voortkomt ui misbruik of verwaarlozing, met inbegrip van maar niet beperkt tot: gebruik zonder vol-
  doende koelvloeistof of smeermiddelen, aanpassingen aan het brandstofsysteem buiten de specificaties van het
  materieel, overtoeren, onjuiste stalling, onjuist starten, opwarmen of uitschakelen, gebruik van onjuiste brandstof
  of verontreinigde brandstof, olie en andere vloeistoffen.
• Normaal onderhoud, zoals afstelling van de motor, reiniging van het motorbrandstofsysteem, controles, afstellin-
  gen, aanbrengen van vulplaatjes, enz.
• Items vervangen op verzoek van de klant.
• Arbeidsloon voor reparatiewerkzaamheden uitgevoerd door een andere partij dan een door het contract gemach-
  tigde dealer, tenzij deze valt onder speciale bepalingen (d.w.z. uitbesteed werk).
• Alle eventuele reiskosten voor items, zoals voor slepen, servicebezoeken of het transporteren van een unit naar
  en van de plaats waar de garantieservice wordt uitgevoerd.
• Normale onderhoudskosten, met inbegrip van maar niet beperkt tot: smeermiddelen, koelvloeistoffen, vloeistoffen,
  brandstof, filters en hieraan gerelateerd arbeidsloon. Smeermiddelen, filters en koelvloeistoffen kunnen in aanmer-
  king komen voor vergoeding onder garantie, indien zij moeten worden vervangen als een DIRECT GEVOLG van
  een materiaal- of fabricagefout.


                                                         2-5

--- Page 5 ---
2 - VEILIGHEIDSINFORMATIE


Specifieke voorzorgsmaatregelen voor deze machine
    WAARSCHUWING
   Gevaar van verbrijzeling!
   Indien u servicewerkzaamheden aan de machine uitvoert met geheven hefarmen van de lader, moet u
   altijd de gasveer gebruiken om de hefarmen te ondersteunen. Verwijder de gasveer ter ondersteuning
   uit zijn opbergplaats en plaats de gasveer op de cilinderstang. Breng de borgbout volledig aan in de
   gasveer. Laat de hefarmen neer op de gasveer ter ondersteuning.
   Als u zich hier niet aan houdt, kan dit leiden tot ernstig of dodelijk letsel.
                                                                                                    W0140A


    GEVAAR
   Gevaar van verbrijzeling!
   Het niet aanbrengen van de giekvergrendelingspen kan leiden tot het onverwachts naar beneden ko-
   men van de giek. Controleer of de giekvergrendelingspen is aangebracht.
   Als u zich hier niet aan houdt, leidt dit tot ernstig of dodelijk letsel.
                                                                                                    D0019A


• Zie pagina 7-4 in deze handleiding om ervoor te zorgen
  dat de hefarmen geheven zijn voor onderhoud aan en
  het kantelen van de cabine.
• Zet alle bedieningselementen in de neutraalstand voor-
  dat u de cabine verlaat en zorg ervoor dat u ze niet per
  ongeluk inschakelt wanneer u de cabine binnengaat of
  verlaat.
• Controleer, voordat u de cabine verlaat, het vergren-
  delsysteem, zodat beweging van bedieningselementen
  niet leidt tot beweging van de machine.
• Houd de lading of het werktuig zo laag mogelijk terwijl
  u de machine op het werkterrein verplaatst.
• Controleer of de borgpennen van de koppeling in de
  bak of in de bevestigingslippen van het voorzetstuk zijn
  aangebracht.
• Overvul de bak niet. Vuil, stenen en afvalmateriaal kun-
  nen het bestuurdersgedeelte binnendringen.


                                                        2-15

--- Page 6 ---
2 - VEILIGHEIDSINFORMATIE


6. Breng de hefarmen langzaam omhoog totdat de
   steunbeugel op de cilinderstang valt, zoals afgebeeld.
7. Breng de bevestigingsclip (1) aan om de steunbeu-
   gel aan de cilinderstang van de hefarm te bevestigen.
   Laat de hefarmen langzaam zakken totdat de gasveer
   in aanraking komt met de cilinder.
8.        GEVAAR
         Gevaar van verbrijzeling!
         De hefarm van de lader wordt niet onder-
         steund tijdens het verwijderen van de gas-
         veer die hem ondersteunt. Stap niet in of
         uit de cabine wanneer de hefarm van de                          93106854A   3
         lader niet wordt ondersteund. Er zijn twee
         personen vereist voor de opslag. De eer-
         ste persoon moet de gasveer verwijderen
         en opslaan terwijl de tweede persoon (de
         bestuurder) in de cabine blijft zitten.
         Als u zich hier niet aan houdt, leidt dit tot
         ernstig of dodelijk letsel.
                                                      D0021A


     De hulp van een tweede persoon is vereist om de gas-
     veer op te slaan. De bestuurder MOET tijdens deze
     procedure op zijn stoel blijven zitten. Licht de werkarm
     van de gasveer. Instrueer de tweede persoon om de
     gasveer in de opbergstand te brengen en de beves-
     tigingsclip (1) aan te brengen. Wanneer de tweede
     persoon de zone heeft verlaten, kunt u de werkarm la-
     ten zakken.


                                                               2-25

--- Page 7 ---
2 - VEILIGHEIDSINFORMATIE


                 WAARSCHUWING:
 Verwijder de radiateurdop NIET. CONTROLEER het
 koelvloeistofniveau in de overlooptank. Als u zich
  hier niet aan houdt, kan dit leiden tot ernstig of
                   dodelijk letsel.


                      Aantal: 1
                      87658005


                                                                     87658005    17


Is aangebracht op de radiateur onder de motorkap.


                                                                    93106875AA   18


           GEVAAR VAN VERBRIJZELING
 Controleer vóór gebruik of het voorzetstuk goed
vastzit. Als u zich hier niet aan houdt, kan dit leiden
             tot ernstig of dodelijk letsel.


                      Aantal: 1
                     84367568_A


                                                                    84367568_A   19


Aan de achterkant van de dwarsligger van de koppeling.


                                                                    931002318    20


                                                     2-35

--- Page 8 ---
3 - BEDIENINGSELEMENTEN/INSTRUMENTEN


Schouderriem
Trek het oprolbare gedeelte (1) van de veiligheidsgordel
over de bestuurder en bevestig hem stevig in de gesp (2).

Er is een schouderriem (3) verkrijgbaar bij uw dealer.
Sommige machineconfiguraties zijn voorzien van een
schouderriem.
OPMERKING: Er is een kit met een in Californië ver-
plichte 3-inch veiligheidsgordel leverbaar via Dealer Serv-
ice Parts. Deze gordel kan bij bepaalde industriële toe-
passingen noodzakelijk zijn. Controleer welke voorschrif-
ten ter plaatse gelden.


                                                                      BD07C132I-3     1


Veiligheidsstang
De veiligheidsstang kan voor bestuurderscomfort worden
afgesteld.
1. Stel de hoogte van de veiligheidsstang (1) af door de
   twee vergrendelingsknoppen (2) los te draaien. Één
   knop aan elke kant waar de veiligheidsstang op de
   achterkant van de cabine rust. Draai de afstelaan-
   slagen (3) naar buiten om de ruststand van de veilig-
   heidstang te verhogen en naar binnen om de positie
   te verlagen. Stel de afslagen (3) zodanig af dat de vei-
   ligheidsstang evenveel rust op beide aanslagen. Zet
   de vergrendelingsknoppen (2) vast.

                                                                    RAPH12SSL0066AA       1


                                                          3-7

--- Page 9 ---
3 - BEDIENINGSELEMENTEN/INSTRUMENTEN


Bochten nemen met de machine
Bocht met draaipunt - vermogen naar slechts één kant
• Om een bocht naar links met draaipunt te maken: houd
  de bedieningshendel links voor de stuurinrichting in de
  neutraalstand en beweeg de bedieningshendel rechts
  voor de stuurinrichting naar voren.
• Om een bocht naar rechts met draaipunt te maken:
  houd de bedieningshendel rechts voor de stuurinrich-
  ting in de neutraalstand en beweeg de bedieningshen-
  del links voor de stuurinrichting naar voren.
• Om een bocht achteruit naar links met draaipunt te ma-
  ken: controleer of de omgeving vrij is van personen
  en voorwerpen; houd vervolgens de bedieningshendel
  links voor de stuurinrichting in de neutraalstand en be-               BT06G022   1

  weeg de bedieningshendel rechts voor de stuurinrich-
  ting naar achteren.
• Om een bocht achteruit naar rechts met draaipunt te
  maken: controleer of de omgeving vrij is van personen
  en voorwerpen; houd vervolgens de bedieningshendel
  rechts voor de stuurinrichting in de neutraalstand en be-
  weeg de bedieningshendel links voor de stuurinrichting
  naar achteren.
Bocht met tegengesteld draaien - vermogen naar beide
kanten in tegenovergestelde richtingen
• Om een bocht naar links te maken met tegengesteld
  draaien: beweeg de bedieningshendel links voor de
  stuurinrichting naar achteren en duw de bedienings-
  hendel rechts voor de stuurinrichting naar voren.
• Om een bocht naar rechts te maken met tegengesteld
  draaien: beweeg de bedieningshendel rechts voor de
  stuurinrichting naar achteren en duw de bedienings-
  hendel links voor de stuurinrichting naar voren.


                                                                         BT06G023   2

Geleidelijke bocht - vermogen naar beide kanten in
dezelfde richting
• Om een geleidelijke bocht naar links te maken: be-
  weeg de bedieningshendel rechts voor de stuurinrich-
  ting verder naar voren dan de bedieningshendel links
  voor de stuurinrichting, die u slechts gedeeltelijk naar
  voren duwt.
• Om een geleidelijke bocht naar rechts te maken: be-
  weeg de bedieningshendel links voor de stuurinrichting
  verder naar voren dan de bedieningshendel rechts voor
  de stuurinrichting, die u slechts gedeeltelijk naar voren
  duwt.
                                                                         BT06G024   3


                                                         3-17

--- Page 10 ---
3 - BEDIENINGSELEMENTEN/INSTRUMENTEN


       Niveau 400


         Linkerzijde
(1) Multifunctioneel nr. 4
(2) Multifunctioneel nr. 3
         (3) Claxon
      (4) 2e aux HYD
    (5) 2 versnellingen


                                                    93109401   11


       Rechterzijde
(1) Multifunctioneel nr. 1
  (2) Proportionele hulp
      (3) Parkeerrem
     (4) Ride Control


                                                    93109396   12


       Niveau 450


         Linkerzijde
(1) Multifunctioneel nr. 4
(2) Multifunctioneel nr. 3
         (3) Claxon
      (4) 2e aux HYD
    (5) 2 versnellingen


                                                    93109401   13


       Rechterzijde
(1) Multifunctioneel nr. 1
  (2) Proportionele hulp
      (3) Parkeerrem
   (4) Vlottende stand
     (5) Ride Control


                                                    93109402   14


                                 3-27

--- Page 11 ---
3 - BEDIENINGSELEMENTEN/INSTRUMENTEN


(12)   LAMPJE VOOR HET VOORVERWARMEN:
       Onder koude startomstandigheden gaat
       dit gele lampje voor het voorverwarmen
       branden zodra de contactschakelaar in de
       stand RUN wordt gedraaid, waarmee de
       bestuurder wordt gewaarschuwd dat de
       inkomende lucht wordt voorbereid voor
       een soepelere start. De bestuurder moet
       wachten totdat het lampje uitgaat, alvorens
       de motor te starten.

(13)   TEKSTDISPLAY:
       Dit display geeft tijdens normaal bedrijf de
       volgende zaken weer, afhankelijk van de
       selectie van de bestuurder.
       • Motoruren: het aantal motoruren wordt
         altijd kort weergegeven wanneer de be-
         stuurder voor het eerst op de stoel gaat
         zitten. De bestuurder kan ervoor kiezen
         het aantal motoruren verder op het dis-
         play te laten weergeven, of een van de
         volgende opties selecteren.
       • Motortoerental
       • Temperatuur motorkoelvloeistof (graden F
         of C)
       • Temperatuur hydraulische olie (graden F
         of C)
       • Wisselen: als deze display-optie wordt ge-
          selecteerd, wisselt het display continu tus-
          sen de vier bovengenoemde opties.
       Wanneer de bestuurder of monteur
       het SETUP-menu gebruikt, geeft het
       tekstdisplay ook informatie uit dit menu
       weer.
       NOTE: Om de displaymodus "on the
       go" te wijzigen, dient u de knop voor
       Aux-deactivering (3) ingedrukt te houden
       tot de naam van de huidige optie wordt
       weergegeven; druk (herhaaldelijk) op de
       knop voor Aux-deactivering tot de naam
       van de gewenste optie wordt weergegeven.
       De waarde van de desbetreffende
       displaymodus wordt weergegeven tot een
       andere optie wordt geselecteerd.


                                                                    93109329A   3


                                                      3-37

--- Page 12 ---
3 - BEDIENINGSELEMENTEN/INSTRUMENTEN


Instelling voor bediening van elektrohydraulisch systeem
OPMERKING: Deze instellingen kunnen worden geactiveerd met behulp van de aangepaste instellingen SP-C en
CR-C voor machines die zijn gebouwd na augustus 2013 in het menu Easy Electro-Hydraulic (EZ-EH) (Eenvoudig
elektrohydraulisch EZ-EH).
Alle wijzigingen moet worden uitgevoerd terwijl de motor
in de uitgeschakelde stand staat en de elektronica in de
slaapstand staat.

1. Voordat u op de stoel gaat zitten, houdt u de knop AUX
   OVERRIDE (4) en de knop OPERATE (3) tegelijk in-
   gedrukt gedurende vijf tot zeven seconden, tot SETUP
   (1) op het display verschijnt. Zodra "Setup" (Instellin-
   gen) op het display wordt weergegeven, kunt u op de
   bestuurdersstoel gaan zitten en wijzigingen aanbren-
   gen.
2. Druk op de knop START (2) om te scrollen tussen de
   verschillende menu's tot EH (1) wordt weergegeven
   op het display.
3. Druk op de knop POWER (5) om het volgende menu
   te openen.
4. Druk op de knop START (2) om naar de instelling te
   gaan die u wilt wijzigen (Speed: Drive, Lift,, of Tilt)
   of (CTLR: Drive of L-ARM), en druk vervolgens op
   de knop POWER (5) om uw invoer op te slaan. Voor
   DFLT drukt u op de knop POWER (5) om de instelling
   terug te stellen naar de standaardfabrieksinstellingen.
   De standaardinstellingen voor elk model staan weer-
   gegeven in de tabellen op de volgende pagina's.
   OPMERKING: Gebruik de knop (4) AUX OVERRIDE
   wanneer u een niveau omhoog wilt gaan.
5. Druk op de startknop START (2) om naar het gewen-
   ste snelheidsniveau, (High, Med-2, Med-1, of Low) of
   (DRV1, DRV2, of DRV3) of (LDR1, LDR2, of LDR3),
   te gaan, en druk vervolgens op de knop POWER (5)
   om uw invoer op te slaan.
6. Nadat uw instelling is opgeslagen, keert de monitor te-
   rug naar stap 3, zodat u andere aanpassingen kunt
   doen. Indien er geen andere aanpassingen vereist
   zijn, gebruikt u de knop AUX OVERRRIDE (4) om het
   menu met machinefuncties af te sluiten. U bevindt
   zich nu in het hoofdmenu SETUP; gebruik de knop
   START (2) om naar EXIT te gaan en druk vervolgens                        931002267   4
   nogmaals op de knop POWER (5) om het instellingen-
   menu te verlaten.
7. Verlaat de bestuurdersstoel gedurende tien seconden
   voordat u de unit probeert te starten.


                                                         3-47

--- Page 13 ---
3 - BEDIENINGSELEMENTEN/INSTRUMENTEN


Codes maken
Het instrumentenpaneel kan pas worden vergrendeld als
er een code is gemaakt. Het instrumentenpaneel heeft
één eigenaarscode en maximaal tien gebruikerscodes.
De eigenaarscode ontgrendelt altijd het paneel. De ei-
genaarscode is vereist om gebruikerscodes te creëren of
wijzigen en de eigenaarscode te wijzigen.

Eigenaarsfoutcode:
Zodra het menu SETUP is geopend; drukt u op de knop
START om naar het menu LOCK te gaan. Druk op de
knop POWER om het menu LOCK te openen.

Ga als volgt te werk om een eigenaarscode
te maken:
Indien er geen eigenaarscode bestaat, toont het display
het woord " OWNCR" (Eigenaar creëren), gevolgd door
00000. Noteer de 5-cijferige ceode die u wilt instellen, of
gebruik een code die u al kent.
LET OP: Zodra de code is gemaakt, kan het instrumen-
tenpaneel niet worden ontgrendeld zonder de code. In-
dien het instrumentenpaneel niet kan worden ontgren-
deld, dient u contact op te nemen met uw dealer.

1. Voer de code in door diverse keren op de knop START
   (2), de knop AUX OVERRIDE (4) en de knop OPE-
   RATE (3) te drukken. Druk op de knop POWER (5)
   om elk cijfer op te slaan en naar het volgende te sprin-
   gen.
   OPMERKING: Gebruik de knop START voor de cijfers
   1, 2, 3. Gebruik de knop AUX OVERRIDE voor de
   cijfers 4, 5, 6. Gebruik de knop OPERATE voor de
   cijfers 7, 8, 9, 0.
2. Druk na het vijfde cijfer op de knop POWER (5) om de
   code in te voeren. Het lampje voor het voorverwarmen
   van de motor gaat branden en het display begint de
   dertig seconden af te tellen.
                                                                     931002267   14
3. Druk op de knop START (2) om naar het menu "Exit"
   (Sluiten) te gaan, en druk op de knop POWER (5) om
   het menu SETUP te verlaten. Op dit moment wordt
   het instrumentenpaneel niet vergrendeld.


                                                         3-57

--- Page 15 ---
4 - BEDIENINGSINSTRUCTIES


STARTEN VAN MACHINE

Motorwerking
    GEVAAR
   Onjuiste bediening of onjuist onderhoud van deze machine kunnen leiden tot ongevallen.
   U mag deze machine niet bedienen en er geen smeer-, onderhouds- of reparatiewerkzaamheden aan
   uitvoeren voordat u de informatie over bediening, smeren, onderhoud en reparaties hebt gelezen en
   begrepen.
   Als u zich hier niet aan houdt, leidt dit tot ernstig of dodelijk letsel.
                                                                                                          D0010A


    WAARSCHUWING
   Explosiegevaar!
   Gebruik GEEN startvloeistof op etherbasis.. Dit kan leiden tot ernstige motorschade, explosie, ernstig
   of dodelijk letsel.
   Als u zich hier niet aan houdt, kan dit leiden tot ernstig of dodelijk letsel.
                                                                                                          W0148A


    WAARSCHUWING
   Defectraken van materieel kan leiden tot ongevallen of letsel!
   Doe altijd de veiligheidsgordel om voordat u de machine bedient. Controleer de onderdelen van de
   veiligheidsgordel op slijtage en beschadiging. Vervang alle beschadigde onderdelen van de veilig-
   heidsgordel vóór gebruik, om de veiligheid van de bestuurder te garanderen.
   Als u zich hier niet aan houdt, kan dit leiden tot ernstig of dodelijk letsel.
                                                                                                          W0046A


Walk-around inspectie
Voer elke dag de volgende handelingen uit voordat u de motor start:
1. Controleer op lekkage onder de machine.
2. Controleer de staat en spanning van de banden of de staat van de rupsbanden.
3. Controleer de machine, uitrusting en voorzetstukken op slijtage en beschadigde of ontbrekende delen.
4. Controleer de machine op vuil, met name rondom de radiateur en in de omgeving van de motor. Zorg ervoor dat
   deze zones schoon zijn.
5. Reinig of vervang onleesbare veiligheidstickers of stickers met instructies.
6. Reinig de opstaptreden, leuningen en bestuurderscabine. Verwijder alle losse voorwerpen uit de bestuurdersca-
   bine.
7. Raadpleeg het smeer- en onderhoudsschema in deze handleiding en voer alle acties voor de komende 10 uur uit.


                                                         4-3

--- Page 16 ---
5 - TRANSPORTWERKZAAMHEDEN


Machine hijsen met een vierpuntshijswerktuig
     WAARSCHUWING
    Zware voorwerpen!
    Maak voor het heffen en verplaatsen van alle zware onderdelen gebruik van een hefwerktuig met een
    daarvoor geschikt hefvermogen. Ondersteun units of onderdelen altijd met geschikte stroppen of
    haken. Zorg ervoor dat er zich geen andere personen in de werkomgeving bevinden.
    Als u zich hier niet aan houdt, kan dit leiden tot ernstig of dodelijk letsel.
                                                                                                  W0398A


LET OP: Het hijsen van de machine mag alleen worden
uitgevoerd door personeel dat ervaring heeft met het hij-
sen van zware machines. Neem contact op met uw dea-
ler.

Gebruik uitsluitend een hijswerktuig met voldoende
nominaal vermogen voor het gewicht van het model
schranklader dat moet worden gehesen. Het gewicht
van het hijswerktuig moet erbij worden opgeteld.
1. Verwijder alle voorzetstukken voordat de machine
   wordt gehesen.
2. Deze machines zijn ontworpen voor een vierpuntshijs-
   werktuig.                                                               93109386C   4

3. Gebruik de hijspunten vóór en de hijspunten achter
   (één aan elke zijde).

Om scherpe hoeken en schade aan de cabine van de
schranklader en aan de hefarmen te voorkomen, moet
een apparaat met de juiste lengte worden gebruikt en
het juiste hijshaakpunt boven de cabine worden gehand-
haafd.

Bij kraanwerkzaamheden (hijsen of neerlaten) voor een
machine moeten de volgende voorzorgsmaatregelen
worden getroffen.
• Bij kraanwerkzaamheden mag zich nooit personeel op
  de machine bevinden.                                                     93109381A   5

• Verwijder voorzetstukken voordat met kraanwerkzaam-
  heden wordt begonnen.
• Gebruik uitsluitend hijswerktuigen met voldoende ver-
  mogen.
• Het gewicht van het hijswerktuig moet worden opgeteld
  bij het machinegewicht om het juiste vereiste hijsvermo-
  gen te kunnen bepalen.
• Inspecteer het hijswerktuig altijd om er zeker van te zijn
  dat het in een veilige toestand verkeert. Gebruik het
  NIET als het versleten of beschadigd is.
• Bevestig geen hijswerktuigen aan de hefarmen van de
  lader of aan voorzetstukken op de schranklader.
• Zorg ervoor dat de hefarmen van de lader helemaal
                                                                          931002296A   6
  neergelaten zijn.
• Zorg ervoor dat de motor is uitgeschakeld en dat de par-
  keerrem is ingeschakeld voordat met kraanwerkzaam-
  heden wordt begonnen.
• Houd omstanders tijdens kraanwerkzaamheden op vei-
  lige afstand van de machine.


                                                           5-3

--- Page 17 ---
6 - BEDIENING VOOR WERKZAAMHEDEN


Inrichting van het werk
Om efficiënt te kunnen werken, moet het werk zo worden
ingericht dat de voor de werkcyclus benodigde tijd zo kort
mogelijk is. Houd bij de keuze van de stortplaats rekening
met de windrichting en de helling van het terrein. Kies, in-
dien mogelijk, de stortplaats zodanig dat stof niet in de
richting van de bestuurder waait. Neem, voordat de be-
stuurder begint te werken, enkele minuten om het werk-
terrein te egaliseren als het ruw is. Beperk de transport-
afstanden tot een minimum om sneller te kunnen werken.

Belastingsvermogens
     WAARSCHUWING
    Gevaar van omrollen!
    Als u het nominale vermogen van de machine
    overschrijdt, kan dit leiden tot het omslaan
    van de machine. Houd u altijd aan de aanbevo-
    len belastingslimieten. Overschrijd nooit het
    nominale vermogen van de machine.
    Als u zich hier niet aan houdt, kan dit leiden
    tot ernstig of dodelijk letsel.
                                                     W0217A


     WAARSCHUWING
    Gevaar van omslaan!
    De bestuurder moet op de hoogte zijn van
    het juiste BELASTINGSVERMOGEN van de
    machine, voordat hij de machine in gebruik
    neemt. Houd u altijd aan de aanbevolen be-
    lastingslimieten.
    Als u zich hier niet aan houdt, kan dit leiden
    tot ernstig of dodelijk letsel.
                                                     W0216A


Zie hoofdstuk 8 Specificaties voor een lijst met modellen
en belastingsvermogens. Zie voor uw specifieke machine
de sticker op uw machine voor het belastingsvermogen.
Neem bij vragen over het belastingsvermogen van uw
machine contact op met uw dealer.
• Maak uzelf vertrouwd met het werkterrein voordat u be-                87586474X   1
  gint te werken. Bepaal welke kuilen, obstakels en af-
  valmateriaal van het werkterrein kunnen worden verwij-
  derd. Wees erop bedacht dat het werkterrein herhaal-
  delijk kan veranderen in de loop van de werkdag.
• Lokaliseer alle onvermijdbare gevarenzones zoals
  hoogspanningskabels, bruggen en krappe bochten,
  om er zeker van te zijn dat u daar veilig kunt werken.
• Controleer of er wellicht ander personeel in de buurt van
  de machine aanwezig is en zorg ervoor dat onbevoegd
  personeel de zone verlaat.
• Richt het werkterrein, indien mogelijk, zo in dat de voor
  de werkcyclus benodigde tijd zo kort mogelijk is. Houd
  rekening met de windrichting en helling van het terrein.
  Kies de stortplaats zodanig dat stof en vuil niet in de
  richting van de bestuurder waaien.
• Gebruik een lage schakelgroep voor maximale efficiën-
  tie van de schranklader.


                                                              6-7

--- Page 18 ---
7 - ONDERHOUD


De cabine kan voor servicewerkzaamheden naar voren worden gekanteld, echter alleen met de hefarmen in de stand
omhoog en vergrendeld met de pennen of gasveer.
1. Vóór het kantelen van de cabine moet worden gecon-
   troleerd of de volgende stappen zijn uitgevoerd.
   • De machine moet op een harde, vlakke ondergrond
     worden geplaatst.
   • Het werktuig is losgekoppeld.
   • De hefarmen staan omhoog, met de gasveer of
     borgpennen in de vergrendelstand.
   • De bevestigingsklem van de gasveer ter ondersteu-
     ning wordt vastgemaakt zoals weergegeven in af-
     beelding 3 en stap 7 (machines met radiale hefbe-
     weging).
2. Gebruik een 24 mm-sleutel om de twee bevestigings-
   moeren (1) van de cabine achter te verwijderen. Zie
   afbeelding 6.
3. Gebruik de handgrepen bij de ingang van de cabine
   om deze naar voren te kantelen, zoals weergegeven.
4. Controleer of de rode vergrendelingsbuis (2) over het                       93107498   6
   scharnierstangenstelsel is gezakt. Zie afbeelding 7.
5. Om de cabine weer in de werkstand terug te zetten,
   dient u de rode vergrendelingsbuis (2) over het schar-
   niermechanisme van de cabine omhoog te brengen en
   de cabine omlaag te duwen. Zie afbeelding 7.
6. Gebruik een 24 mm-sleutel en breng de twee beves-
   tigingsmoeren (1) van de cabine achter aan. Zie af-
   beelding 6.


                                                   RAIL13SSL0738EA   7


                                                          7-7

--- Page 19 ---
7 - ONDERHOUD


Vloeistoffen en smeermiddelen
Brandstoftank
Inhoud
SR130, SR150                                                                           60.5 l (16.0 US gal)
SR175, SV185, SR200, SR220, SR250                                                      75.5 l (20.0 US gal)
SV250, SV300, TR270, TR320, TV380                                                      95.5 l (25.5 US gal)
Specificaties                                                                                   Diesel nr. 2

Koelsysteem
Inhoud
SR130, SR150                                                                              15 l (4.0 US gal)
SR175, SV185                                                                            15.6 l (4.2 US gal)
SR200, TR270                                                                              17 l (4.4 US gal)
SR220, SV250, SR250, SV300, TR320, TV380                                                   19 l (5 US gal)
Specificaties                                              50 % gedistilleerd water en 50 % ethyleenglycol

Hydraulisch systeem
Tankinhoud                                                                             15.0 l (3.96 US gal)
Systeeminhoud:
SR130, SR150                                                                          25.5 l (6.75 US gal)
SR175, SV185, SR200, TR270                                                             32.2 l (8.5 US gal)
SR220, SR250, SV250, SV300, TR320, TV380                                             44.5 l (11.75 US gal)
Specificaties                                                                           10W-30-motorolie

Kettingcompartimenten
Inhoud - elke zijde
SR130, SR150                                                                             6.25 l (6.6 US qt)
SR175, SV185                                                                              7.4 l (7.9 US qt)
SR200                                                                                   26.0 l (27.5 US qt)
SR220, SR250, SV250, SV300,                                                             27.9 l (29.5 US qt)
Specificaties                                                                            10W-30-motorolie

Smeernippels
Aantal                                                                                     Naar behoefte
Specificaties                                                                       Molybdeendisulfidevet

Motorcarterolie
Inhoud - met vervanging van filter
SR130, SR150                                                                              7.5 l (7.9 US qt)
SR175, SV185                                                                              8.0 l (8.5 US qt)
SR200, SR220, SR250, SV250, SV300, TR270, TR320,                                          9.5 l (10 US qt)
TV380
Specificaties                                                                       10W-30-motorolie7-27

Rupseindaandrijving
Inhoud - elke zijde                                                  1.0 l (1.06 US qt)+/- 0.1 l (0.1 US qt)

View the complete manual on HeyDownloads →